Bruno Vanobbergen
Voor Bruno Vanobbergen begint een zorgzame samenleving niet in een instelling, maar in de manier waarop we met kinderen, jongeren en gezinnen omgaan.
Goede zorg begint met mensen ernstig te nemen. Dat betekent luisteren naar wat zij zelf nodig hebben.
Bruno Vanobbergen
Goede zorg vraagt tijd, vertrouwen en gedeelde verantwoordelijkheid. Dat is geen individuele opdracht, maar een maatschappelijke keuze.
We spreken vaak over de druk op de zorg. Over wachtlijsten, personeelstekorten en stijgende kosten. Volgens pedagoog Bruno Vanobbergen ligt de grootste uitdaging echter nog vóór de zorg. Ze begint bij de manier waarop we onze samenleving organiseren.
'We schuiven steeds meer zorgtaken door naar professionele instellingen, terwijl zorg net opnieuw een plaats moet krijgen in het dagelijkse leven. Minder stress betekent meer veiligheid, meer verbondenheid en uiteindelijk ook meer welzijn.'
Die overtuiging loopt als een rode draad door zijn werk. Als voormalig kinderrechtencommissaris, voormalig administrateur-generaal van Opgroeien en vandaag directeur-generaal van Katholiek Onderwijs Vlaanderen zag hij hoe kinderen, jongeren en gezinnen steeds vaker vastlopen in systemen die wel georganiseerd zijn, maar niet altijd aansluiten bij wat mensen echt nodig hebben.
Voor Vanobbergen begint zorg daarom niet met oplossingen, maar met aandacht.
Jongeren zijn geen 'mensen in wording'
Volgens Vanobbergen maken we nog te vaak dezelfde denkfout. We bekijken kinderen en jongeren als volwassenen in opleiding, alsof hun stem pas later echt gewicht krijgt. 'Kinderen worden nog te vaak gezien als "nog-niet-mensen". Alsof ze eerst volwassen moeten worden voor hun ervaringen ertoe doen.'
Dat merkt hij al jaren in onderwijs, welzijn en gezondheidszorg. Professionals beslissen vaak vanuit goede bedoelingen, maar vergeten eerst te vragen hoe kinderen of jongeren zelf naar hun situatie kijken. Net daar wringt het volgens hem.
Tijdens zijn periode als kinderrechtencommissaris sprak hij regelmatig met langdurig zieke kinderen. Ze stelden vragen over leven, dood, angst en hun toekomst. Geen eenvoudige vragen, maar wel vragen die tonen hoe bewust kinderen met hun situatie omgaan.
'Als wij denken dat kinderen zulke gesprekken nog niet aankunnen, onderschatten we hen. Goede zorg betekent dat je ook moeilijke gesprekken niet uit de weg gaat.'
Wie jongeren ernstig neemt, geeft hen niet alleen informatie, maar ook inspraak. Dat maakt zorg sterker. Mensen voelen zich gehoord en krijgen opnieuw greep op hun eigen leven.
Woorden maken verschil
Diezelfde houding ziet Vanobbergen terug in de taal die we gebruiken. Woorden lijken onschuldig, maar bepalen mee hoe we naar mensen kijken. Jongeren die op straat kwamen voor het klimaat werden al snel 'klimaatspijbelaars'. Daarmee verdween hun engagement naar de achtergrond en kwam vooral hun afwezigheid op school centraal te staan.
Ook kinderen die een diagnose krijgen, voelen hoe taal hun identiteit kan kleuren. Vanobbergen verwijst naar een onderzoek waarbij jonge kinderen tekenden hoe ze dachten dat anderen hen zagen. Een jongen met ADHD tekende zichzelf als een duivel. Toen hij mocht tonen wie hij écht wilde zijn, koos hij voor een foto waarop hij zijn zus omhelsde. Dat beeld is hem altijd bijgebleven.
'Kinderen voelen haarfijn aan hoe wij naar hen kijken. Daarom doet taal ertoe.'
Volgens hem begint een zorgzame samenleving bij de bereidheid om achter labels te kijken. Niet het probleem, maar de mens moet centraal staan.
Kinderen en jongeren geven voortdurend signalen. De vraag is of wij bereid zijn echt te luisteren.
Bruno Vanobbergen
Doorverwijzen schuift verantwoordelijkheid door. Bijschakelen betekent samen verantwoordelijkheid opnemen.
Bruno Vanobbergen
Zorg vraagt gelijkwaardigheid
Voor Vanobbergen draait zorg niet alleen om hulp bieden. Ze gaat ook over de relatie tussen mensen. Zodra iemand volledig afhankelijk wordt van anderen, ontstaat het risico dat die gelijkwaardigheid verdwijnt. Dat geldt voor kinderen en jongeren, maar evengoed voor mensen in armoede of in een kwetsbare situatie.
'Goede zorg versterkt mensen. Ze maakt hen niet afhankelijk, maar geeft hen opnieuw ruimte om zelf keuzes te maken.'
Toch merkt hij dat veel systemen nog vertrekken vanuit een ongelijke verhouding. Professionals beslissen, kinderen volgen. Volwassenen spreken óver jongeren, terwijl ze er gewoon naast staan.
Tijdens schoolbezoeken valt hem dat telkens opnieuw op. Leerkrachten bespreken leerlingen alsof ze hen niet kunnen horen, terwijl die kinderen perfect begrijpen wat er gezegd wordt. Volgens Vanobbergen lijken dat kleine dingen, maar ze bepalen wel hoe kinderen zichzelf leren zien.
Zorg begint bij nabijheid
Die aandacht voor gelijkwaardigheid sluit aan bij een gedachtegoed dat Vanobbergen sterk inspireert: de presentietheorie van Andries Baart. Die visie vertrekt niet vanuit diagnoses, protocollen of methodieken, maar vanuit aanwezigheid. Eerst de mens ontmoeten, daarna pas handelen.
'Je helpt mensen niet door onmiddellijk oplossingen aan te reiken, maar door eerst echt naast hen te gaan staan.' Dat vraagt een andere professionele houding. Volgens Vanobbergen mogen zorgverleners, opvoeders en leerkrachten best laten zien dat ze ook gewoon mens zijn. Niet door alle grenzen los te laten, maar door zichzelf niet volledig achter hun functie te verbergen. Juist die menselijke ontmoeting creëert vertrouwen.
Durven deprofessionaliseren
Vanobbergen gebruikt daarvoor een opvallende term: deprofessionaliseren. Daarmee bedoelt hij niet dat expertise minder belangrijk wordt. Integendeel. Wel dat professionals zich niet mogen opsluiten binnen hun eigen vakgebied. 'We moeten de muren tussen onze beroepen durven afbreken.'
Vandaag wordt een probleem vaak meteen doorgeschoven naar een specialist. De leerkracht verwijst door naar een psycholoog. De huisarts naar een andere dienst. De maatschappelijk werker naar een volgende organisatie. Die expertise blijft nodig, maar volgens Vanobbergen dreigt daardoor iets verloren te gaan: het gedeelde verantwoordelijkheidsgevoel. Iedereen doet zijn stukje, terwijl niemand zich nog eigenaar voelt van het geheel.
Niet doorverwijzen, maar bijschakelen
Die overtuiging bracht hij ook in de praktijk tijdens zijn periode bij Opgroeien. Daar koos men bewust voor een andere term. Niet langer doorverwijzen, maar bijschakelen. Het verschil lijkt klein, maar zegt veel.
Doorverwijzen betekent vaak dat een organisatie haar verantwoordelijkheid overdraagt. Bijschakelen betekent dat verschillende partners samen verantwoordelijkheid blijven opnemen.
'Een jongere blijft niet van de ene dienst naar de andere verhuizen. De ondersteuning verhuist naar de jongere.' Volgens Vanobbergen is precies dat de richting waarin zorg moet evolueren. Onderwijs, welzijn, gezondheidszorg en jeugdhulp hoeven niet naast elkaar te werken, maar mét elkaar.
Echte verandering groeit van onderuit
Volgens Bruno Vanobbergen ontstaan de meest duurzame veranderingen niet via nieuwe regels of structuren, maar vanuit mensen die lokaal initiatief nemen. Hij verwijst naar initiatieven zoals OverKop en TEJO, die jongeren op een laagdrempelige manier ondersteuning bieden. Hun kracht zit volgens hem niet in uitgebreide procedures, maar in nabijheid, vertrouwen en samenwerking.
'Wat van onderuit groeit, moeten we ondersteunen zonder het meteen dicht te regelen.'
Ook in het onderwijs ziet hij die beweging. Scholen die zelf nieuwe vormen van samenwerking ontwikkelen, inspireren anderen en brengen verandering op gang. Niet omdat iemand hen dat oplegt, maar omdat ze vertrekken vanuit wat leerlingen en leerkrachten nodig hebben.
Jongeren zoeken opnieuw betekenis
Vanobbergen merkt dat veel jongeren vandaag bewust op zoek gaan naar verbinding, zingeving en engagement. Initiatieven zoals Kamino tonen volgens hem dat jongeren wel degelijk verantwoordelijkheid willen opnemen, maar dat ze dat anders doen dan vorige generaties.
Tegelijk groeit de druk op hun tijd. 'We plannen bijna elk moment van hun leven in.' School, hobby's, huiswerk, opvang en activiteiten volgen elkaar voortdurend op. Zelfs vrije tijd krijgt vaak een pedagogisch doel.
Volgens Vanobbergen verliezen jongeren daardoor iets fundamenteels: de ruimte om gewoon te zijn, te experimenteren en zichzelf te ontdekken. 'Vrije tijd is geen verloren tijd. Het is noodzakelijk om mens te worden.'
Gezinnen hebben opnieuw ademruimte nodig
Ook gezinnen botsen steeds vaker op hun grenzen. Ouders combineren werk, opvoeding en mantelzorg. Grootouders springen bij zolang dat kan, maar hebben op een bepaald moment zelf ondersteuning nodig. Daardoor komt steeds meer zorg terecht bij één generatie.
Volgens Vanobbergen is dat niet langer houdbaar. Hij pleit daarom voor een samenleving die anders omgaat met tijd. 'We moeten jongeren opnieuw ruimte geven, ouders echt ontzorgen en het middenveld herstellen als plek van betekenis.' Dat vraagt meer dan extra zorgvoorzieningen. Ook scholen, werkgevers, verenigingen en overheden dragen verantwoordelijkheid om gezinnen meer ademruimte te geven.
Zorg opnieuw midden in de samenleving
Voor Vanobbergen ligt daar ook de uitdaging voor Caruna. Zorg mag niet steeds verder verschuiven naar professionele instellingen. Ze moet opnieuw een vanzelfsprekend onderdeel worden van het dagelijkse leven. Dat betekent investeren in tijd, ontmoeting en verbondenheid. Niet alleen wanneer problemen ontstaan, maar ook ervoor. 'Hoe minder stress, hoe meer ruimte voor veiligheid, vertrouwen en zorg.'
Volgens hem begint een zorgzame samenleving daarom niet met nieuwe regels, maar met een andere manier van samenleven. Een samenleving die jongeren ernstig neemt, gezinnen ondersteunt en zorg opnieuw ziet als een gedeelde verantwoordelijkheid van iedereen.
Zorg terugbrengen naar de samenleving begint met mensen opnieuw tijd en ruimte geven voor elkaar.
Bruno Vanobbergen